De rechtbank Limburg heeft een verdachte vrijgesproken in een zaak rond vermeende verkrachting in Weert. De vrijspraak volgt omdat er volgens de rechtbank onvoldoende steunbewijs is om tot een veroordeling te komen.
De verdenking betrof een incident op 28 juli 2024 in een woning in Weert. Volgens het slachtoffer, dat destijds 13 jaar oud was, heeft de verdachte haar daar seksueel misbruikt. De verdachte, die toen 18 jaar oud was, ontkende dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Daarmee stonden twee verklaringen lijnrecht tegenover elkaar, wat volgens de rechtbank vaker voorkomt in zedenzaken.
Onvoldoende steunbewijs doorslaggevend
De vrijspraak is vooral gebaseerd op het ontbreken van voldoende steunbewijs voor de verkrachting in Weert. De rechtbank legt uit dat een verklaring van één persoon niet genoeg is voor een bewezenverklaring. Er moet aanvullend bewijs zijn dat de verklaring ondersteunt. Ook als een verklaring op zichzelf geloofwaardig wordt gevonden, is dat juridisch niet voldoende.
In deze zaak oordeelt de rechtbank dat dergelijk aanvullend bewijs ontbreekt. Daardoor blijft de verklaring van het slachtoffer op zichzelf staan en kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het strafbare feit heeft plaatsgevonden.
Verklaringen uit omgeving tellen niet als steunbewijs
De rechtbank heeft ook gekeken naar verklaringen van familieleden en anderen in de omgeving van het slachtoffer. Deze verklaringen waren volgens de rechtbank echter allemaal gebaseerd op wat het slachtoffer zelf heeft verteld. Daardoor komen ze uit dezelfde bron en kunnen ze niet dienen als onafhankelijk steunbewijs.
Daarnaast is gekeken naar waarnemingen van emoties bij het slachtoffer. Zo verklaarden familieleden dat het slachtoffer huilde toen zij vertelde wat er zou zijn gebeurd. Deze momenten vonden echter pas ongeveer anderhalve maand na het vermeende incident plaats. Volgens de rechtbank is dat te ver verwijderd in de tijd om als steunbewijs te dienen.
Geen aanvullend bewijs in dossier
Verder stelt de rechtbank vast dat er geen forensisch bewijs beschikbaar is. Ook zijn mogelijke getuigen die volgens het dossier iets zouden kunnen verklaren, niet door de politie gehoord. Daarmee ontbreekt extra ondersteuning voor de beschuldigingen.
Ook ziet de rechtbank geen objectief vastgestelde gedragsverandering bij het slachtoffer die in direct verband kan worden gebracht met het vermeende incident. Dit alles samen maakt dat er onvoldoende bewijs is om de beschuldigingen te bevestigen.
Schadeclaim niet behandeld
Omdat de verdachte wordt vrijgesproken, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de schadeclaim van het slachtoffer. De benadeelde partij had een bedrag van 12.500 euro gevorderd, onder meer voor smartengeld en toekomstige schade.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering. Dat betekent dat de schadeclaim in deze strafzaak niet wordt behandeld.
Je kan de volledige uitspraak lezen via: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3286
